Hypothese: dwergvleermuizen vliegen niet elke dag rond dezelfde tijd na zonsondergang uit, omdat neerslag en temperatuur daar invloed op hebben. Lichtintensiteit, luchtvochtigheid en wind invloed hebben geen invloed op de uitvliegtijd van dwergvleermuizen.
3.2.1: de correlatiecoëfficiënt
De correlatiecoëfficiënt is een maat voor correlatie tussen twee grootheden (Bron 8).
Er is correlatie als er tussen beide grootheden een zekere lineaire samenhang is, daarom
is het nodig eerst coördinatentransformatie toe te passen (zoals ik bij de lichtintensiteit
heb gedaan). De correlatiecoëfficient wordt berekend met de volgende formule:
rho(X,Y)=(cov(X,Y))/(sigma(X)sigma(Y)). Daarin is cov(X,Y) = E(X-EX)(Y-EY) de covariantie
van X en Y en zijn sigma(X) en sigma(Y) de standaardafwijkingen van X en Y.
Zelf heb ik Excel gebruikt om de correlatiecoëfficiënt voor mij uit te rekenen, dan via de
Excel-formule: CORRELATIE (matrix1;matrix2) . Om vervolgens conclusies aan deze
correlatiecoëfficiënt te verbinden is het nodig het aantal metingen te tellen.
Als er maar drie metingen zijn moet de correlatiecoëfficiënt namelijk veel hoger zijn
dan bij 26 metingen, om zéker te zijn van een verband. De correlatie is maximaal bij
een correlatiecoëfficiënt van 1. Om te bepalen of er echt een verband is, of dat het
verband op toeval berust heb ik een tabel van M.L. Wijvekate gebruikt (Bron 20, blz. 223).
Die geeft voor respectievelijk 3, 15 en 26 metingen de volgende eenzijdige overschrijdingskansen (%).
De eenzijdige overschrijdingskans is de kans (in %) dat de correlatiecoëfficiënt op toeval berust. Bij een ½ % eenz. overschrijdingskans is het dus vrijwel zeker dat er een verband aanwezig is, de correlatiecoëfficiënt berust dan namelijk vrijwel zeker niet op toeval.
3.4.1: Grafiek 1 en 1b: uitvliegtijd tegen zonsondergangtijd
In grafiek 1 vormt de uitvliegtijd tegen de zonsondergangtijd een vrij rechte lijn, wat
duidt op een lineair verband. Om hier zeker van te zijn heb ik de correlatiecoëfficiënt
tussen deze waarden berekend (zie paragraaf 2), dat bleek 0,98 te zijn. We kunnen dus
inderdaad
concluderen dat er een groot verband tussen de uitvliegtijd en de zonsondergang is.
Vervolgens heb ik de verschillende waarden in mijn rekenmachine ingevoerd, om de formule
van de rechte lijn te berekenen. Hieruit kwam voor a, in de formule y=ax+b, de waarde 0,91
en voor b de waarde 2,04. Dat was even een verrassend resultaat, ik had namelijk gedacht
dat de richtingcoëfficiënt (a) 1 zou zijn. Dan zou een zonsondergang van een minuut eerder
namelijk ook een uitvliegtijd van een minuut eerder betekenen.
Nu de richtingcoëfficiënt echter een waarde van 0,91 bleek te hebben, was het zaak de
correlatiecoëfficiënt tussen de zonsondergangtijd en de uitvliegtijd in minuten na
zonsondergang te berekenen (zie grafiek 1b).
Op die manier is namelijk vast te stellen of
de waarde van a (0,91) een gevolg is van meetfouten, of echt iets zegt over het verband.
De correlatiecoëfficiënt tussen de waarden van grafiek 1b bleek -0,48 te zijn. Dat zou dus
betekenen dat de dwergvleermuizen er later in het jaar, als de zonsondergang vroeger is,
langer over doen om uit te vliegen. Of dit echt zo is of uitsluitend op toeval berust, is
te zien aan de eenzijdige overschrijdingskans (zie tabel 2). De eenzijdige
overschrijdingskans is, bij 26 waarnemingen, 0,5%. Er is dus maar 0,5% kans dat dit
verband op toeval berust.
3.4.2: Grafiek 2: uitvliegtijd tegen temperatuur
Op het eerste gezicht lijkt er geen verband te bestaan tussen de temperatuur en de
uitvliegtijd, grafiek 2 vormt immers een grote wolk aan stippen in plaats van een redelijke
lijn. De correlatiecoëfficiënt is echter -0,35 en de tabel van Wijvekate (zie tabel 2)
geeft aan dat er dan bij 26 waarnemingen een eenzijdige overschrijdingskans van 5% is. Er
is dus 5% kans dat de correlatie op puur toeval berust.
3.4.3: Grafiek 3 en 4: uitvliegtijd tegen lichtintensiteit
In grafiek 3 is de uitvliegtijd tegen de logaritme van de lichtintensiteit gezet. Dat is
gedaan omdat het oog ongeveer logaritmisch gevoelig is voor de lichtintensiteit. Dat houdt
in dat iemand, als de lichtintensiteit wordt gehalveerd (bijvoorbeeld van 1000 naar 500 lux),
dat ervaart als een lichtafname van 10%.
In grafiek 3 is een redelijk duidelijk verband te zien, de correlatiecoëfficiënt is dan
ook -0,68. Dit verband hoeft er echter helemaal niet op te duiden dat vleermuizen later
uitvliegen als het bewolkt is, het is immers sowieso donkerder als het later na
zonsondergang is, ook als de vleermuis om een heel andere reden zo laat is uitgevlogen.
Om voor deze factor te corrigeren is de lichtintensiteit vervolgens uitgezet tegen het
verschil tussen de uitvliegtijd en de tijd dat de vleermuizen uit hadden moeten vliegen
(zie grafiek 4). De tijd dat de vleermuizen hadden moeten uitvliegen is berekend aan de
hand van het al eerder aangetoonde lineaire verband tussen de zonsondergangtijd en de
uitvliegtijd (zie grafiek 1). De daar getrokken rechte lijn geeft de tijd aan dat de
vleermuizen normaliter uit hadden moeten vliegen. De waarden die naast de grafiek vallen
zijn dus de bijzondere gevallen, één van de factoren zorgt waarschijnlijk voor dat verschil.
Vervolgens heb ik ook voor grafiek 4 de correlatiecoëfficiënt berekend, die bleek -0,57 te
zijn, wat bij 26 waarnemingen een eenzijdige overschrijdingskans geeft van minder dan 0,5%.
3.4.4: Grafiek 5: uitvliegtijd tegen luchtvochtigheid
Grafiek 5 geeft een mooie wolk aan stipjes, er is geen enkele mogelijkheid om een lijn te
trekken. Er lijkt dus volstrekt geen verband te zijn tussen de luchtvochtigheid en de
uitvliegtijd. Om dit zeker te weten heb ik toch de correlatiecoëfficiënt berekend, die is hier
-0,11.
3.4.5: Grafiek 6: uitvliegtijd tegen neerslag
Bij deze grafiek zou je kunnen denken dat er een duidelijk verband is tussen uitvliegtijd
en neerslag, het moment van uitvliegen is immers later bij de dagen met neerslag.
De correlatiecoëfficiënt bij deze grafiek is 0,26 en er is dus een eenzijdige overschrijdingskans
van ruim 5%.
3.4.6: Grafiek 7: uitvliegtijd tegen wind
Oorspronkelijk was ik niet van plan dit verband te bekijken, daarom heb ik hier een stuk
minder metingen van (namelijk 15). Ook hier is het lastig conclusies te trekken, door de
weinige metingen. De correlatiecoëfficiënt is 0,37 wat nog behoorlijk hoog is. Maar met
maar 15 metingen is de eenzijdige overschrijdingskans toch veel meer dan 5%.
3.6.2: grafiek 3 en 4
Een verklaring voor het feit dat dwergvleermuizen later uitvliegen als het bewolkt is,
zou kunnen zijn dat bewolking voor minder insecten zorgt. Het zou echter ook kunnen komen
doordat bewolking vaak een aankondiging van regen is. Met mijn resultaten valt daar niks
over te zeggen doordat ik geen onderzoek heb gedaan naar de hoeveelheid insecten in de
lucht en doordat uit mijn onderzoek naar neerslag geen verband is gekomen (zie grafiek 6).
Er is dus meer onderzoek nodig om een verklaring voor het verband tussen lichtintensiteit
en uitvliegtijd te geven. Bij een dergelijk onderzoek zouden meer waarnemingen voor
verbetering wat betreft de neerslag kunnen zorgen. Wellicht zullen een vanglaken en een
lamp met ultraviolet licht goede hulpmiddelen zijn bij een onderzoek naar de hoeveelheid
insecten.
3.6.3: grafiek 6
Mijn hypothese, dat er een verband bestaat tussen de neerslag en de uitvliegtijd van
dwergvleermuizen is aan de hand van mijn resultaten eigenlijk noch te verwerpen, noch aan
te nemen, doordat er te weinig metingen zijn gedaan op regenachtige dagen. Meer metingen
zouden een volledig ander resultaat kunnen geven. Er is dus meer onderzoek nodig voordat
significante conclusies over het verband tussen de uitvliegtijd van dwergvleermuizen en
de neerslag getrokken kunnen worden. Zo’n vervolgonderzoek zou zich naar mijn mening vooral
moeten richten op het verkrijgen van meer waarnemingen.
3.6.4: grafiek 7
Ook bij deze grafiek is sprake van weinig metingen, waardoor eigenlijk geen significante
conclusie kan worden getrokken. Ook hier zouden meer metingen een volledig ander resultaat
kunnen geven en ook hier zou een vervolgonderzoek zich naar mijn mening vooral moeten
richten op het verkrijgen van meer waarnemingen.