Hoofdstuk 2: onderzoek

Veel mensen denken bij het woord onderzoek al snel aan een laboratorium. Laboratoriumonderzoek is handig omdat de onderzoeker zelf de omstandigheden kan bepalen en aanpassen, maar het is niet voor al het onderzoek geschikt. Onderzoek naar vleermuizen richt zich vooral op inventarisatie: waar komen welke soorten vleermuizen voor, hoeveel zijn het er, hoe gedragen ze zich, waar bevinden zich hun zomerkolonies en waar hun winterverblijven?

2.1: de batdetector

2.1.1: wat is een batdetector?
eenEen batdetector is een apparaat dat ultrasoon geluid omzet in geluid dat voor mensen wel hoorbaar is (zie figuur 4). Vleermuizen maken gebruik van ultrasoon geluid om hun weg en voedsel te vinden, vandaar dat vleermuizen met een batdetector duidelijk hoorbaar zijn. Er zijn verschillende soorten batdetectors, maar ik zal alleen het principe van de vertragingsdetector uitleggen omdat dat de meest gebruikte detector is, en omdat daar in mijn onderzoek gebruik van wordt gemaakt. Een vertragingsdetector werkt als volgt: de signalen die binnenkomen worden op een digitale chip opgeslagen en vervolgens vertraagd weer afgespeeld. Een binnenkomend signaal dat in 3 milliseconden van 70 naar 25 kilohertz daalt, wordt opgerekt naar 30 milliseconden, zodat een geluid van 7 tot 2,5 kilohertz ontstaat, dat is voor mensen hoorbaar.

2.1.2: waarvoor wordt een batdetector gebruikt?
Om goed onderzoek naar vleermuizen te kunnen doen, zijn zowel een batdetector als mistnetten als zenders onmisbaar. De batdetector heb je als eerste nodig, voor het verkenningswerk. Vaak wordt een veldonderzoek op een bepaalde soort gericht, de soort waar de onderzoeker meer over wil weten. In dat geval moet die soort wel eerst worden gevonden! Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de batdetector. Afhankelijk van de soort waarnaar de onderzoeker zoekt, wordt de frequentieknop van de detector ingesteld. Om de meeste soorten te horen, is het het best de detector rond de 45 kilohertz te zetten. Een tabel met per vleermuissoort de geluidsfrequentie is in hoofdstuk 1 afgedrukt.

Naast het doen van verkenwerk is een batdetector ook te gebruiken voor inventarisatiewerk . Inventariseren van een gebied houdt in dat bekeken wordt welke vleermuizen in dat gebied voorkomen, er wordt dus een beeld van de verspreiding van vleermuizen geschetst. Op een zomerkamp van de NJN (Bron 11) is in juli 2005 inventarisatieonderzoek gedaan voor een inventarisatieatlas van Zuid-Limburg. Met de batdetector zijn toen hele stukken van het gebied doorgefietst, om aan te tonen dat de dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) inderdaad overal voorkomt. De onderzoekers hebben zich expres op de dwergvleermuis gericht, omdat die met de batdetector het makkelijkst te herkennen is. Bij de soorten die tot de geslacht myotis horen, is dat bijna onmogelijk. Dat de soort tot de myoten behoort is wel te horen, maar om zeker te weten welke soort het is, is het vaak nodig te vangen.

Het is ook mogelijk kolonies te zoeken met behulp van de batdetector. ’s Morgens vroeg, voor zonsopgang, vliegen de vleermuizen namelijk allemaal rond dezelfde tijd naar hun kolonie terug. Vleermuizen maken dan proeflandingen op de invliegopening, waardoor veel beesten tegelijk rond de kolonie vliegen. Dat wordt zwermen genoemd. Op de batdetector veroorzaken deze vleermuizen een hoop lawaai, waardoor kolonies te traceren zijn. In theorie is het dus erg makkelijk: de onderzoeker fietst ’s morgens vroeg (of ’s avonds net na zonsondergang) met een batdetector door de buurt en waar veel lawaai te horen is, zit een kolonie. In de praktijk is het echter een stuk moeilijker, om precies te zijn is het mij één keer gelukt op deze manier een kolonie te vinden. De moeilijkheid zit ‘m namelijk in het aantal mogelijke kolonieplaatsen. Op zoek naar een soort die in huizen onderdak zoekt, zal de onderzoeker op het platteland veel sneller beet hebben dan in de stad, daar zijn immers veel minder huizen. In de stad is het vrijwel onbegonnen werk. Op zoek naar een soort die in bomen huist kunnen de ogen een handje helpen. Om te beginnen heeft een boom een holte nodig, en ten tweede zal een holte met kolonie vrij duidelijk te herkennen zijn aan het urinespoor dat de vleermuizen hebben achtergelaten. De batdetector is dan alleen nog nodig om te zien of de kolonie inderdaad bewoond is.

2.2: mistnetten

2.2.1: wat is een mistnet?
Een mistnet is een lang, zeer fijnmazig net (zie figuur 5). Dat moet wel, omdat de vleermuizen het anders opmerken. Door het net zijn een aantal (meestal vijf) lijnen gespannen, met aan de uiteinden een lus. Deze lus wordt om een tentstok gebonden, die, al dan niet met scheerlijnen, stevig in de grond staat.

het

2.2.2: hoe werkt een mistnet?
Een mistnet heeft zeer fijne mazen omdat een vleermuis het net anders opmerkt. Dat is daarmee echter niet helemaal te voorkomen, vleermuizen zien het mistnet wel degelijk, alleen merken ze het vaak te laat op. De plek waar een mistnet gespannen wordt speelt daarbij ook een rol. Bij een open plek in het bos zullen de vleermuizen vaak langs of over het net vliegen. Daarom is het ’t beste een net te spannen bij wat kleineren doorgangen, in een bospaadje onder een overhangende tak is bijvoorbeeld een goede plek. Dan wordt namelijk de enige doorgang geblokkeerd, waardoor de vleermuizen, eigenwijs als ze zijn, het net in vliegen. Ze willen toch proberen er langs te komen. Vliegt een vleermuis in het net, dan zal het net door het extra gewicht direct naar beneden zakken, waardoor achter de dwarslijn een zak ontstaat. De vleermuis zit dan tussen twee netten in en kan niet meer weg. Een net dient dan overigens niet te strak gespannen te zijn, want dan veert het als een springkussen terug en vliegt de vleermuis weer weg.

2.2.3: waarvoor wordt een mistnet gebruikt?
Een mistnet wordt gebruikt om vleermuizen te vangen. Het vangen van vleermuizen kan zeer nuttig zijn omdat het bij veel onderzoeken gebruikt kan worden. Net als batdetectors kan deze onderzoeksmethode gebruikt worden voor inventariseren. Met een batdetector kunnen maar enkele soorten onderscheiden worden, daarom is het voor een goede inventarisatie nodig de dieren te vangen. Verder is het bij vangen mogelijk de dieren te merken, waardoor heel nieuwe onderzoeken mogelijk zijn. Er zijn verschillende mogelijkheden om vleermuizen te merken, wat nodig is als je bepaalde vleermuizen als terugvangsten wilt herkennen. De oudste manier van merken is d.m.v. ringen.

2.2.4: permanente merkmethodes: ringen en transponders Bij vleermuizen wordt de ring om de onderarm gebogen i.p.v. rond de poot zoals bij vogels (zie figuur 6), daardoor ziet een vleermuisring er iets anders uit dan een vogelring. Een vleermuisring heeft aan beide uiteinden namelijk een lipje, om te voorkomen dat de ring de vleugel kan beschadigen. Een andere manier van merken is d.m.v. transponders, elektrische chips die met een injectienaald onder de nekhuid van een vleermuis wordt gespoten. Dat vormt verder geen probleem, de huid van een vleermuis zit namelijk nogal ruim, veel ruimer dan bij mensen het geval is.
Aan beide methodes zitten voor en nadelen, zo is het een voordeel dat iedereen de ringen kan lezen, ruige wat bij transponders niet het geval is. Een voordeel van transponders is echter dat gegevens verzameld kunnen worden zonder de dieren opnieuw te vangen. Er zijn namelijk apparaten die de transponders kunnen traceren en opslaan in het geheugen. Deze apparaten worden bij bekende winterverblijven opgehangen bij de invliegopening, zodat later in het geheugen precies te zien is welk vleermuis wanneer invliegt en wanneer hij weer uitvliegt. Zo is bijvoorbeeld te bepalen in welke periode van het jaar een winterverblijf de meeste dieren herbergt. Verder is te bepalen of vleermuizen elk jaar naar dezelfde verblijven terugkeren of dat ze verschillende verblijven gebruiken.

2.2.5: Niet permanente merkmethodes: nagellak en bijenmerkjes Naast deze min of meer permanente manier van merken, zijn er ook methoden die maar een aantal dagen te gebruiken zijn, zoals nagellak en bijenmerkjes (bijenmerkjes worden door imkers gebruikt om bijen te merken, ze bevatten een kleur en nummer). Voordeel hiervan is dat het veel goedkoper is, er kan echter geen langdurig onderzoek gedaan worden. Toch zijn er leuke resultaten mee te boeken. Zo heb ik eens in een boerenschuur vleermuizen gevangen. Beide kanten van de schuur waren dichtgemaakt met een net. De dieren kregen per net een verschillende kleur nagellak, zodat kon worden nagaan of de vleermuizen altijd de zelfde in- en uitgang gebruiken. Dit bleek niet het geval.

Naar deze twee methoden van merken is ook onderzoek gedaan (Bron 18), door elke vleermuis zowel met een bijenmerkje als met nagellak te merken. Hieruit bleek dat een bijenmerkje maximaal 4 dagen blijft zitten, maar ook na een uur al weg kan zijn. Nagellak kan 3 dagen blijven zitten, hoe snel het verdwenen kan zijn is niet bekend omdat er geen terugvangsten waren van beesten die nog wel een bijenmerkje en geen nagellak meer hadden. Het is, als een onderzoeker dit soort conclusies wil trekken, natuurlijk wel noodzakelijk om het tijdstip en de plek van vangen op te schrijven. Verder worden altijd de soort, het geslacht, de seksuele activiteit, het gewicht en de onderarmlengte opgeschreven. Ditzelfde onderzoek leverde zo ook de volgende waarneming op: een watervleermuis kan in drie nachten 2,5 gram aankomen (bron 18)!

2.3: zenders

meervleermuis Naast het merken met ringen en transponders is er nog een methode om het vlieggedrag van een vleermuis te bekijken, en dat is zenderen. Er is een algemene regel dat zenders nooit zwaarder mogen zijn dan 5% van het lichaamsgewicht van de vleermuis (Bron 15, blz. 76). Voldoet de zender daaraan dan wordt hij met huidlijm op de rug van de vleermuis geplakt (zie figuur 7), waarna de vleermuis met een ontvanger, bevestigd op auto of fiets, gevolgd kan worden. Dit levert vaak grappige opmerkingen van voorbijgangers op, in de trant van: “zijn jullie op zoek naar UFO’s?” Nee dus, er wordt een vleermuis gevolgd.
Op deze manier leidt de vleermuis de onderzoeker naar zijn verblijfplaats, wat hopelijk een nog niet bekende kolonie oplevert. Naast het vinden van kolonies wordt deze methode ook gebruikt om meer te weten te komen over de routes die een vleermuis van en naar zijn jachtgebied vliegt. Een vleermuis volgt namelijk steeds dezelfde route totdat er geen insecten meer op die route te vinden zijn.
Het is trouwens wel belangrijk bij het zenderen van vleermuizen, als de onderzoeker op zoek is naar een nieuwe kolonie, dat de zender op een vrouwtjesvleermuis wordt geplakt, liefst nog op een zogend vrouwtje. Vrouwtjes leven gedurende de zomer namelijk in een kraamkolonie, waar veel vrouwtjes met jongen bij elkaar zitten. Mannetjes vormen in de zomer slechts kleine groepen, of blijven zelfs alleen.

2.4: (kerk)zoldertellingen

Een bekende manier van inventariseren is, naast natuurlijk het vangst- en batdetectorwerk, het bekijken van mogelijke of tellen van bekende verblijfplaatsen. Het is bekend dat enkele soorten vleermuizen, bijvoorbeeld de dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en ingekorven vleermuis (Myotis emarginatus), de voorkeur geven aan gebouwen als zomerverblijf. Het is dus zeker handig om overdag de kerkzolders na te gaan op slapende vleermuizen en/of vleermuismest. Voor een inventarisatieonderzoek naar ingekorven vleermuizen in Zuid-Limburg (Bron 11) zijn overdag ook boerenschuren bekeken, zodat kon worden nagegaan waar ’s nachts dieren aangetroffen zouden worden en waar dus gevangen moest worden. Verder is er elk jaar een kerkzolderweekend waarin met kleine groepjes vele kerkzolders in Zuid-Limburg beklommen worden op zoek naar vleermuizen. En zitten er vleermuizen, dan wordt natuurlijk opgeschreven hoeveel en welke soort.

2.5: wintertellingen

Om een beeld te krijgen van het in- en uitvliegen van vleermuizen wordt gebruik gemaakt van detectiepoortjes die de transpondercodes opslaan (paragraaf 2). Echter niet alle winterverblijven hebben zo’n detectiepoortje en ook lang niet alle vleermuizen hebben een transponder. Er zal dus geteld moeten worden. Dat gebeurt voor elk winterverblijf één keer per jaar rond dezelfde tijd, op die manier kunnen de waarnemingen namelijk met andere jaren worden vergeleken. Doorgaans wordt een bunker of grot met een aantal mensen en lampen betreden, zodat er zo min mogelijk onrust veroorzaakt wordt. De meeste lampen stralen echter warmte uit, waardoor vleermuizen wakker kunnen worden. De laatste tijd wordt dan ook afgeraden de populaire mag-lites te gebruiken, maar over te stappen op ledlampen, die wel veel licht, maar geen warmte uitstralen.

De meest bekende winterverblijven van vleermuizen zijn bunkers, grotten en ijskelders. Van rosse vleermuizen (Nyctalus noctula) is echter bekend dat ze ook in bomen kunnen overwinteren (Bron 15). Exacte aantallen zijn niet bekend, maar wel is op basis van zomer- en winterwaarnemingen vast te stellen dat een groot deel van de vleermuizen uit de zomer ’s winters zoek zijn. Dat vraagt om meer onderzoek, en dat wordt dan ook gedaan. In de winter van 2005 heeft de NJN-Zoogdierenwerkgroep onder begeleiding van AJ Haarsma onderzoek gedaan in het Warmonderbos (Bron 13), in de buurt van Leiden. Met een klimset werd eerst de bomen in geklommen om de boomholtes te bekijken, geschikte holtes zijn vervolgens beter bekeken met een boomcamera. Verder zijn de boomholtes waarvan bekend was dat er in de zomer vleermuizen zaten, bekeken. Er zijn toen in totaal 33 vleermuizen in de bomen waargenomen: een grootoorvleermuis (Plecotus auritus), een ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en 31 rosse vleermuizen.

2.6: waarom onderzoek doen?

Ten eerste natuurlijk uit nieuwsgierigheid. Er zijn nog vele openstaande vragen, die slechts door onderzoek beantwoord kunnen worden, als het om vleermuizen gaat.

Een andere, zeer belangrijke, reden is om de vleermuis te beschermen. Het is zelfs zo dat er alleen vangvergunningen worden uitgegeven als de vleermuizen er uiteindelijk iets aan hebben. De vleermuis is dan ook een beschermde diersoort. Het komt vaak voor dat de gemeente een nieuw gebouw wil plaatsen, dat mag echter niet zomaar: er moet eerst bekeken worden of dat geen gevaar vormt voor de daar levende diersoorten. En dat is waar het onderzoek begint. In zo’n gebied wordt ten eerste een inventarisatieonderzoek gestart om te kijken welke dieren (in dit geval welke vleermuizen) er in het gebied voorkomen. Vervolgens kan een onderzoek gedaan worden naar de specifieke vanglocaties en vliegroutes van de vleermuizen, waarna een advies aan de gemeente wordt uitgebracht.