2.1.2: waarvoor wordt een batdetector gebruikt?
Om goed onderzoek naar vleermuizen te kunnen doen, zijn zowel een batdetector als
mistnetten als zenders onmisbaar. De batdetector heb je als eerste nodig, voor het
verkenningswerk. Vaak wordt een veldonderzoek op een bepaalde soort gericht, de soort waar
de onderzoeker meer over wil weten. In dat geval moet die soort wel eerst worden gevonden!
Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de batdetector. Afhankelijk van de soort waarnaar de
onderzoeker zoekt, wordt de frequentieknop van de detector ingesteld. Om de meeste soorten
te horen, is het het best de detector rond de 45 kilohertz te zetten. Een tabel met per
vleermuissoort de geluidsfrequentie is in hoofdstuk 1 afgedrukt.
Naast het doen van verkenwerk is een batdetector ook te gebruiken voor inventarisatiewerk . Inventariseren van een gebied houdt in dat bekeken wordt welke vleermuizen in dat gebied voorkomen, er wordt dus een beeld van de verspreiding van vleermuizen geschetst. Op een zomerkamp van de NJN (Bron 11) is in juli 2005 inventarisatieonderzoek gedaan voor een inventarisatieatlas van Zuid-Limburg. Met de batdetector zijn toen hele stukken van het gebied doorgefietst, om aan te tonen dat de dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) inderdaad overal voorkomt. De onderzoekers hebben zich expres op de dwergvleermuis gericht, omdat die met de batdetector het makkelijkst te herkennen is. Bij de soorten die tot de geslacht myotis horen, is dat bijna onmogelijk. Dat de soort tot de myoten behoort is wel te horen, maar om zeker te weten welke soort het is, is het vaak nodig te vangen.
Het is ook mogelijk kolonies te zoeken met behulp van de batdetector. ’s Morgens vroeg, voor zonsopgang, vliegen de vleermuizen namelijk allemaal rond dezelfde tijd naar hun kolonie terug. Vleermuizen maken dan proeflandingen op de invliegopening, waardoor veel beesten tegelijk rond de kolonie vliegen. Dat wordt zwermen genoemd. Op de batdetector veroorzaken deze vleermuizen een hoop lawaai, waardoor kolonies te traceren zijn. In theorie is het dus erg makkelijk: de onderzoeker fietst ’s morgens vroeg (of ’s avonds net na zonsondergang) met een batdetector door de buurt en waar veel lawaai te horen is, zit een kolonie. In de praktijk is het echter een stuk moeilijker, om precies te zijn is het mij één keer gelukt op deze manier een kolonie te vinden. De moeilijkheid zit ‘m namelijk in het aantal mogelijke kolonieplaatsen. Op zoek naar een soort die in huizen onderdak zoekt, zal de onderzoeker op het platteland veel sneller beet hebben dan in de stad, daar zijn immers veel minder huizen. In de stad is het vrijwel onbegonnen werk. Op zoek naar een soort die in bomen huist kunnen de ogen een handje helpen. Om te beginnen heeft een boom een holte nodig, en ten tweede zal een holte met kolonie vrij duidelijk te herkennen zijn aan het urinespoor dat de vleermuizen hebben achtergelaten. De batdetector is dan alleen nog nodig om te zien of de kolonie inderdaad bewoond is.
2.2.2: hoe werkt een mistnet?
Een mistnet heeft zeer fijne mazen omdat een vleermuis het net anders opmerkt.
Dat is daarmee echter niet helemaal te voorkomen, vleermuizen zien het mistnet wel degelijk,
alleen merken ze het vaak te laat op. De plek waar een mistnet gespannen wordt speelt
daarbij ook een rol. Bij een open plek in het bos zullen de vleermuizen vaak langs of over
het net vliegen. Daarom is het ’t beste een net te spannen bij wat kleineren doorgangen,
in een bospaadje onder een overhangende tak is bijvoorbeeld een goede plek.
Dan wordt namelijk de enige doorgang geblokkeerd, waardoor de vleermuizen, eigenwijs als
ze zijn, het net in vliegen. Ze willen toch proberen er langs te komen. Vliegt een
vleermuis in het net, dan zal het net door het extra gewicht direct naar beneden zakken,
waardoor achter de dwarslijn een zak ontstaat. De vleermuis zit dan tussen twee netten in
en kan niet meer weg. Een net dient dan overigens niet te strak gespannen te zijn, want
dan veert het als een springkussen terug en vliegt de vleermuis weer weg.
2.2.3: waarvoor wordt een mistnet gebruikt?
Een mistnet wordt gebruikt om vleermuizen te vangen. Het vangen van vleermuizen kan zeer
nuttig zijn omdat het bij veel onderzoeken gebruikt kan worden. Net als batdetectors kan
deze onderzoeksmethode gebruikt worden voor inventariseren. Met een batdetector kunnen
maar enkele soorten onderscheiden worden, daarom is het voor een goede inventarisatie nodig
de dieren te vangen. Verder is het bij vangen mogelijk de dieren te merken, waardoor heel
nieuwe onderzoeken mogelijk zijn. Er zijn verschillende mogelijkheden om vleermuizen te
merken, wat nodig is als je bepaalde vleermuizen als terugvangsten wilt herkennen. De oudste
manier van merken is d.m.v. ringen.
2.2.4: permanente merkmethodes: ringen en transponders
Bij vleermuizen wordt de ring om de onderarm gebogen i.p.v. rond de poot zoals bij vogels
(zie figuur 6), daardoor ziet een vleermuisring er iets anders uit dan een vogelring. Een
vleermuisring heeft aan beide uiteinden namelijk een lipje, om te voorkomen dat de ring de
vleugel kan beschadigen. Een andere manier van merken is d.m.v. transponders, elektrische
chips die met een injectienaald onder de nekhuid van een vleermuis wordt gespoten. Dat
vormt verder geen probleem, de huid van een vleermuis zit namelijk nogal ruim, veel ruimer
dan bij mensen het geval is.
Aan beide methodes zitten voor en nadelen, zo is het een voordeel dat iedereen de ringen
kan lezen,
wat bij transponders niet het geval is. Een voordeel van transponders is echter
dat gegevens verzameld kunnen worden zonder de dieren opnieuw te vangen. Er zijn namelijk
apparaten die de transponders kunnen traceren en opslaan in het geheugen. Deze apparaten
worden bij bekende winterverblijven opgehangen bij de invliegopening, zodat later in het
geheugen precies te zien is welk vleermuis wanneer invliegt en wanneer hij weer uitvliegt.
Zo is bijvoorbeeld te bepalen in welke periode van het jaar een winterverblijf de meeste
dieren herbergt. Verder is te bepalen of vleermuizen elk jaar naar dezelfde verblijven
terugkeren of dat ze verschillende verblijven gebruiken.
2.2.5: Niet permanente merkmethodes: nagellak en bijenmerkjes Naast deze min of meer permanente manier van merken, zijn er ook methoden die maar een aantal dagen te gebruiken zijn, zoals nagellak en bijenmerkjes (bijenmerkjes worden door imkers gebruikt om bijen te merken, ze bevatten een kleur en nummer). Voordeel hiervan is dat het veel goedkoper is, er kan echter geen langdurig onderzoek gedaan worden. Toch zijn er leuke resultaten mee te boeken. Zo heb ik eens in een boerenschuur vleermuizen gevangen. Beide kanten van de schuur waren dichtgemaakt met een net. De dieren kregen per net een verschillende kleur nagellak, zodat kon worden nagaan of de vleermuizen altijd de zelfde in- en uitgang gebruiken. Dit bleek niet het geval.
Naar deze twee methoden van merken is ook onderzoek gedaan (Bron 18), door elke vleermuis zowel met een bijenmerkje als met nagellak te merken. Hieruit bleek dat een bijenmerkje maximaal 4 dagen blijft zitten, maar ook na een uur al weg kan zijn. Nagellak kan 3 dagen blijven zitten, hoe snel het verdwenen kan zijn is niet bekend omdat er geen terugvangsten waren van beesten die nog wel een bijenmerkje en geen nagellak meer hadden. Het is, als een onderzoeker dit soort conclusies wil trekken, natuurlijk wel noodzakelijk om het tijdstip en de plek van vangen op te schrijven. Verder worden altijd de soort, het geslacht, de seksuele activiteit, het gewicht en de onderarmlengte opgeschreven. Ditzelfde onderzoek leverde zo ook de volgende waarneming op: een watervleermuis kan in drie nachten 2,5 gram aankomen (bron 18)!
De meest bekende winterverblijven van vleermuizen zijn bunkers, grotten en ijskelders. Van rosse vleermuizen (Nyctalus noctula) is echter bekend dat ze ook in bomen kunnen overwinteren (Bron 15). Exacte aantallen zijn niet bekend, maar wel is op basis van zomer- en winterwaarnemingen vast te stellen dat een groot deel van de vleermuizen uit de zomer ’s winters zoek zijn. Dat vraagt om meer onderzoek, en dat wordt dan ook gedaan. In de winter van 2005 heeft de NJN-Zoogdierenwerkgroep onder begeleiding van AJ Haarsma onderzoek gedaan in het Warmonderbos (Bron 13), in de buurt van Leiden. Met een klimset werd eerst de bomen in geklommen om de boomholtes te bekijken, geschikte holtes zijn vervolgens beter bekeken met een boomcamera. Verder zijn de boomholtes waarvan bekend was dat er in de zomer vleermuizen zaten, bekeken. Er zijn toen in totaal 33 vleermuizen in de bomen waargenomen: een grootoorvleermuis (Plecotus auritus), een ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en 31 rosse vleermuizen.
Een andere, zeer belangrijke, reden is om de vleermuis te beschermen. Het is zelfs zo dat er alleen vangvergunningen worden uitgegeven als de vleermuizen er uiteindelijk iets aan hebben. De vleermuis is dan ook een beschermde diersoort. Het komt vaak voor dat de gemeente een nieuw gebouw wil plaatsen, dat mag echter niet zomaar: er moet eerst bekeken worden of dat geen gevaar vormt voor de daar levende diersoorten. En dat is waar het onderzoek begint. In zo’n gebied wordt ten eerste een inventarisatieonderzoek gestart om te kijken welke dieren (in dit geval welke vleermuizen) er in het gebied voorkomen. Vervolgens kan een onderzoek gedaan worden naar de specifieke vanglocaties en vliegroutes van de vleermuizen, waarna een advies aan de gemeente wordt uitgebracht.