Hoofdstuk 1: de vleermuis in het algemeen

1.1: de lichaamsbouw van een vleermuis

Vleermuizen hebben een lengte tussen de 3 en 8 cm. De spanwijdte zit tussen de 18 en 43 cm en het gewicht zit tussen de 3,5 en 40 gram. Dat zijn grote verschillen, toch zijn ze juist, de kleinste marges komen namelijk van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) (de kleinste soort in Nederland) en de grootste marges van de vale vleermuis (Myotis myotis) (de grootste soort van Nederland).
In de evolutie heeft de vleermuis vleugels gekregen op de plek van onze armen en handen. anatomieDaardoor heeft de vleermuis net zoveel vingers als wij: vijf (zie figuur 1). De vingers van een vleermuis zijn echter allemaal bijzonder lang, en er heeft zich een vlieghuid tussen gevormd. Enkel de duim van een vleermuis heeft zijn normale lengte behouden. Die is, samen met de onderarmen, namelijk enorm handig om mee te klimmen. De vlieghuid tussen de vingers loopt door tot aan de achterpoten en ook tussen de achterpoten bevindt zich een vlieghuid: de staartvlieghuid. De poten hebben zich ontwikkeld tot grijphanden om aan te hangen (bron 7).



1.2: waar wonen vleermuizen?

Alle vleermuizen hebben verblijfplaatsen nodig, om zich te beschermen tegen koude, regen en predators. Niet alle vleermuizen wonen op dezelfde soort plekken, maar ze zijn wel allemaal afhankelijk van wat de natuur of de mens hen biedt, vleermuizen kunnen namelijk geen nesten maken (Bron 15). Verder wonen ze niet het hele jaar op dezelfde plaats, ze hebben namelijk verschillende winter- en zomerverblijven. Zomerverblijven zijn bijvoorbeeld de kraamkolonies, tussenkwartieren en paarverblijven.

In winterverblijven wonen vaak verschillende soorten bij elkaar en ook qua geslacht zijn ze gemengd. Als winterverblijf kunnen bunkers, ijskelders en grotten worden gebruikt, maar door sommige vleermuizen (zoals de rosse vleermuis, Nyctalus noctula) ook bomen (bron 15).

Na de winter verhuizen de vleermuizen naar tussenkwartieren, die niet meer door verschillende soorten worden bewoond. Hier leven solitaire of kleine groepjes dieren enkele dagen tot een paar weken samen, alvorens naar hun zomerverblijf te vliegen (bron 15).

Hier wordt met zomerverblijf de kraamkamer bedoeld, deze wordt uitsluitend door vrouwtjes van dezelfde soort en hun jongen bewoond. Mannetjes blijven in de zomer in kleine groepen of solitair wonen. De kraamkamers worden enkele maanden bewoond, de jongen worden er geboren en grootgebracht.

mogelijkeNa het verlaten van de kraamkolonies en zomerverblijven ontmoeten de mannetjes en vrouwtjes elkaar in de paarverblijven, die verder niet veel verschillen van de zomerverblijven.

Winterverblijven kunnen dus bunkers, ijskelders, grotten en bomen zijn, de zomerverblijven zijn net zo divers. Sommige soorten, zoals de gewone dwergvleermuis, wonen graag in gebouwen (bijvoorbeeld achter de spouwmuur of op een kerkzolder, zie figuur 2). Andere soorten, zoals de bechstein’s en rosse vleermuis, zijn typisch bosbewoners. Oude spechtengaten, naar boven weggerot, zijn bijvoorbeeld zeer geschikt.

1.3: de echolocatie van vleermuizen

Vleermuizen produceren zowel voor de mens hoorbaar, als voor de mens onhoorbaar geluid. De hoorbare geluiden zijn vaak sociale geluiden, de onhoorbare zijn voor de jacht: de echolocatie (dit geluid is hoorbaar te maken met een batdetector, in tabel 1 staan de geluidsfrequenties per soort). Dat vleermuizen gebruik maken van echolocatie is pas in 1938 ontdekt door de Amerikanen George Pierce en Donald Griffin (Bron 15).deDe mens ontvangt via zijn ogen een heleboel informatie, waarmee een beeld van de omgeving te vormen is. Vleermuizen ontvangen zo’n zelfde beeld via hun oren, doordat hun eigen geluid weerkaats op de voorwerpen in hun omgeving (zie figuur 3). Tijdens de jachtvlucht bevatten hun echolocatiesignalen pauzes van meer dan 10 milliseconden, dat komt doordat ze zich volledig op hun prooi richten. Op die momenten tasten ze hun omgeving bijna niet meer af. Dat betekent dus dat vleermuizen gedurende de nacht een paar uren vrijwel blind rondvliegen, dus zonder naar hun omgeving te kijken. Dat verklaart waarom vleermuizen altijd dezelfde routes vliegen, en het verklaard ook hoe het komt dat vleermuizen de mistnetten (zie hoofdstuk 2) te laat opmerken.



overzicht

De echolocatiegeluiden van vleermuizen zijn niet altijd hetzelfde, sommige vleermuizen zenden de geluiden namelijk uit via hun mond, maar andere via hun neus (bijvoorbeeld de grote hoefijzerneus, Rhinolophus ferrumequinum). Daarnaast kunnen verschillende soorten erg verschillen in het echolocatiegeluid dat ze maken. Vleermuizen kunnen hun echolocatie ook nog aanpassen aan de omgeving waarin ze vliegen en de manier van jagen (bron 26).

1.4: de jaarcyclus van de vleermuis

Voorjaar
Op warme dagen in februari en maart kun je al vleermuizen tegenkomen, meestal nog zeer dicht bij de winterverblijven. Pas eind april of zelfs begin mei verlaat de grote groep vleermuizen het winterverblijf. Ze verhuizen dan via tussenkwartieren naar hun zomerverblijf, dat soms wel honderden kilometers weg is (bron 27). Begin april vindt de eisprong bij de vrouwtjes plaats (bron 15), ze bevruchten zichzelf met de opgespaarde zaadcellen van voor de winterperiode.

Zomer
Eind mei tot begin juni is de draagtijd van vleermuisvrouwtjes (bron 15). Begin juni verzamelen de vrouwtjes dan ook in de kraamkolonies. Kraamkolonies bestaan in Nederland uit 15 tot 400 dieren. Mannetjes brengen de zomer solitair of in kleine groepjes door (bron 27). De jongen worden begin juli geboren en dan zo’n vier weken lang door hun moeder gezoogd. In die periode onderbreken de moeders hun nachtelijke jacht vaak om hun jong te gaan zogen, moeders nemen hun jongen namelijk niet mee op jacht. Toch kan het soms voorkomen dat een kraamkolonie verhuist, bijvoorbeeld na verstoring. De jongen liften dan, hangend aan de tepel van moeder, mee (bron 27). Vleermuizen krijgen over het algemeen maar 1 jong per jaar, daarentegen bereiken vleermuizen wel een vrij hoge leeftijd, ze worden ongeveer 7 – 10 jaar oud (bron 27).

Najaar
In augustus begint de paartijd, dus dan verhuizen vrouwtjes en mannetjes naar de paarkwartieren. Na de paring vind geen bevruchting plaats, de vrouwtjes bewaren het sperma en bevruchten zichzelf in het voorjaar, zo wordt voorkomen dat de jongen in de winter (als voedsel schaars is) of in het voorjaar (als de moeder verzwakt is van de winter) worden geboren (bron 27). In deze tijd wordt veel gejaagd, om aan te komen voor de lange periode van winterslaap. Na de paring zoeken ze vrij snel hun winterverblijven op, maar blijven in de buurt daarvan wel jagen. Het komt ook voor dat er pas in de winterverblijven wordt gepaard.

Winter
Omdat er in de winter vrij weinig voedsel is voor vleermuizen, gaan ze in winterslaap. Daarvoor zoeken ze geschikte winterverblijven. Dat moeten plekken zijn waar het zeer vochtig is (tegen uitdroging van de vleermuis) en nooit onder de 0ºC komt. Verder moet het er donker zijn. Grotten of ijskelders kunnen deze omstandigheden vaak bieden, maar tegenwoordig worden ook steeds vaker kunstmatige verblijven aangelegd. Vleermuizen verlagen in de winter hun lichaamstemperatuur tot net boven de buitentemperatuur (ongeveer 5°C), verder vertragen ze hun ademhaling, hartritme en stofwisseling (bron 27). Vleermuizen slapen nooit aan een stuk door de winter door, dat zou hun lichaam niet aan kunnen. Om de paar weken worden ze wakker en verhogen hun stofwisseling , hartslag en temperatuur weer tot de normale temperatuur. Zo kan het lichaam herstellen, soms gaat een vleermuis zelfs nog even jagen of verhuist naar een ander verblijf.