In winterverblijven wonen vaak verschillende soorten bij elkaar en ook qua geslacht zijn ze gemengd. Als winterverblijf kunnen bunkers, ijskelders en grotten worden gebruikt, maar door sommige vleermuizen (zoals de rosse vleermuis, Nyctalus noctula) ook bomen (bron 15).
Na de winter verhuizen de vleermuizen naar tussenkwartieren, die niet meer door verschillende soorten worden bewoond. Hier leven solitaire of kleine groepjes dieren enkele dagen tot een paar weken samen, alvorens naar hun zomerverblijf te vliegen (bron 15).
Hier wordt met zomerverblijf de kraamkamer bedoeld, deze wordt uitsluitend door vrouwtjes van dezelfde soort en hun jongen bewoond. Mannetjes blijven in de zomer in kleine groepen of solitair wonen. De kraamkamers worden enkele maanden bewoond, de jongen worden er geboren en grootgebracht.
Na het verlaten van de kraamkolonies en zomerverblijven ontmoeten de mannetjes en
vrouwtjes elkaar in de paarverblijven, die verder niet veel verschillen van de
zomerverblijven.
Winterverblijven kunnen dus bunkers, ijskelders, grotten en bomen zijn, de zomerverblijven zijn net zo divers. Sommige soorten, zoals de gewone dwergvleermuis, wonen graag in gebouwen (bijvoorbeeld achter de spouwmuur of op een kerkzolder, zie figuur 2). Andere soorten, zoals de bechstein’s en rosse vleermuis, zijn typisch bosbewoners. Oude spechtengaten, naar boven weggerot, zijn bijvoorbeeld zeer geschikt.
De echolocatiegeluiden van vleermuizen zijn niet altijd hetzelfde, sommige vleermuizen zenden de geluiden namelijk uit via hun mond, maar andere via hun neus (bijvoorbeeld de grote hoefijzerneus, Rhinolophus ferrumequinum). Daarnaast kunnen verschillende soorten erg verschillen in het echolocatiegeluid dat ze maken. Vleermuizen kunnen hun echolocatie ook nog aanpassen aan de omgeving waarin ze vliegen en de manier van jagen (bron 26).
Zomer
Eind mei tot begin juni is de draagtijd van vleermuisvrouwtjes (bron 15). Begin juni
verzamelen de vrouwtjes dan ook in de kraamkolonies. Kraamkolonies bestaan in Nederland
uit 15 tot 400 dieren. Mannetjes brengen de zomer solitair of in kleine groepjes door
(bron 27).
De jongen worden begin juli geboren en dan zo’n vier weken lang door hun moeder gezoogd.
In die periode onderbreken de moeders hun nachtelijke jacht vaak om hun jong te gaan zogen,
moeders nemen hun jongen namelijk niet mee op jacht. Toch kan het soms voorkomen dat een
kraamkolonie verhuist, bijvoorbeeld na verstoring. De jongen liften dan, hangend aan de tepel van moeder, mee (bron 27).
Vleermuizen krijgen over het algemeen maar 1 jong per jaar, daarentegen bereiken vleermuizen
wel een vrij hoge leeftijd, ze worden ongeveer 7 – 10 jaar oud (bron 27).
Najaar
In augustus begint de paartijd, dus dan verhuizen vrouwtjes en mannetjes naar
de paarkwartieren. Na de paring vind geen bevruchting plaats, de vrouwtjes bewaren het
sperma en bevruchten zichzelf in het voorjaar, zo wordt voorkomen dat de jongen in de
winter (als voedsel schaars is) of in het voorjaar (als de moeder verzwakt is van de winter)
worden geboren (bron 27).
In deze tijd wordt veel gejaagd, om aan te komen voor de lange periode van winterslaap.
Na de paring zoeken ze vrij snel hun winterverblijven op, maar blijven in de buurt daarvan
wel jagen. Het komt ook voor dat er pas in de winterverblijven wordt gepaard.
Winter
Omdat er in de winter vrij weinig voedsel is voor vleermuizen, gaan ze in winterslaap.
Daarvoor zoeken ze geschikte winterverblijven. Dat moeten plekken zijn waar het zeer vochtig
is (tegen uitdroging van de vleermuis) en nooit onder de 0ºC komt. Verder moet het er
donker zijn. Grotten of ijskelders kunnen deze omstandigheden vaak bieden, maar tegenwoordig
worden ook steeds vaker kunstmatige verblijven aangelegd.
Vleermuizen verlagen in de winter hun lichaamstemperatuur tot net boven de buitentemperatuur
(ongeveer 5°C), verder vertragen ze hun ademhaling, hartritme en stofwisseling (bron 27).
Vleermuizen slapen nooit aan een stuk door de winter door, dat zou hun lichaam niet aan
kunnen. Om de paar weken worden ze wakker en verhogen hun stofwisseling , hartslag en
temperatuur weer tot de normale temperatuur. Zo kan het lichaam herstellen, soms gaat een
vleermuis zelfs nog even jagen of verhuist naar een ander verblijf.